Het sprookje van de spinster en het gouden kind

 

In de kleine oude stad woont een spinster. Dit is de laatste stad op de weg naar de hemel, en tegelijk is het ook de laatste stad op de weg naar de hel.

Het is winter geworden. In de lange avonden, wanneer haar ogen moe zijn geworden van het werk in de schemering, zit de spinster samen met de dieren bij het vuur. Soms komt er dan een gouden kind de kamer binnen. Het kind komt bij het vuur staan om zich te warmen, kijkt in de vlammen en zegt niets, en dat is goed.

Meestal blijft het gouden kind maar even. Maar soms, als het heel moe is, zet het zich neer aan de voeten van de spinster, het legt zijn hoofd op haar knieën en valt in slaap.

Op een avond heeft het kind koorts. Het slaapt. De spinster voelt de hevige koorts en weet niet wat te doen. Nog nooit heeft ze zelf het kind durven aanraken.

Stil wordt er aan de deur geklopt. Omdat de spinster niet kan opstaan met het slapende kind, antwoordt ze, nog stiller dan de klop: “Ja?” Nu komt er een man binnen in een lang kleed. Hij draagt een kroon op zijn hoofd en grote sterke vleugels die uit zijn schouders groeien. In zijn rechterhand, dicht bij zijn borst, houdt hij een scherp en machtig zwaard. Aandachtig en eerbiedig kijkt hij naar de spinster en het gouden kind, buigt zich dringend over het kind heen en zegt: “Meester, een vrouw in de stad is haar eigen ziel aan het vernietigen met het leed dat ze aanricht!”

De adem van het kind stokt, het houdt op met ademen, tellen lang … maar wakker wordt het niet.
De engel tilt het koortsige kind op, legt het op de schoot van de vrouw in haar armen. Hij vertrekt.

Als de spinster die ochtend ontwaakt, is ook het gouden kind er niet meer.

Maanden en jaren gaan voorbij. Het kind komt in de avond, gaat bij het vuur staan om zich te warmen, kijkt in de vlammen en zegt niets. Vaak denkt de spinster terug aan de boodschap van de engel. Die herinnering verandert langzaam in iets donkers dat te diep in haarzelf binnenkruipt en daar stukjes van haar eigen leven verbrandt.

Op een winterdag gaat ze langs de rivier. Het water is bijna bevroren. De ijsplekken en het water dat over en onder het ijs doorvloeit doen haar denken aan de vleugels van de engel, ze ziet een kroon, ze ziet een zwaard.

Over het pad langs de rivier ziet ze twee mensen naar zich toe komen, een man en een kind hand in hand. Ze schrikt hevig, want daar herkent ze het gouden kind. Nooit eerder heeft ze het elders gezien dan ’s avonds in haar eigen huisje, kijkend naar het vuur. Nu stapt het kind aan de hand van de vertrouwde stille man naar haar toe.

“Ik ben de vader die voor het kind zorgt” zegt de man, terwijl hij haar vriendelijk aankijkt en een hand op het hoofd van het gouden kind legt. De spinster ziet nu dat het kind een gouden beker en een stukje brood bij zich draagt. De man spreekt verder: “Het is niet goed voor jou dat je aan die dingen denkt … ” de spinster weet wat hij bedoelt “want dat is niet jouw leven”. Het gouden kind reikt de beker en het stukje brood aan de vader die voor hem zorgt, en de vader geeft het aan de vrouw, eerst het stukje brood, dan de beker. Ze eet en drinkt.

Nooit heeft ze het kind nog gezien, maar altijd leeft hij in haar hart, hij warmt zich daar aan het zuivere hartevuur en zegt niets.

 

 

Tekst (21 december 2022) en beeld: Barbara Maria Beeckmans

We gebruiken noodzakelijke COOKIES voor het functioneren van deze website. View more
OK
NO